Jarenlang inzet voor een vreedzame samenleving

Interview Julia Visser te vinden op de site van NieuwWij op 28 juli 2018

Zuster Josephine (1930) en tweelingzus zuster Aloysa van Amersfoort (1930-2014) hebben zich jarenlang ingezet voor een vreedzame samenleving. Zo waren ze actief voor bijvoorbeeld de Koerden, de Occupy-beweging en vluchtelingen in Nederland. De namen van beide zusters zijn eerder dit jaar opgenomen in het kunstwerk communio sanctorum van kunstenaar Martijn Duifhuizen (1976). Julia Visser ging, special voor Nieuw Wij, met Martijn Duifhuizen op bezoek bij de nog altijd zeer actieve zuster Josephine voor een gesprek over dit kunstwerk en de achterliggende ideeën.

Met de trein die mijn geboortestad Enkhuizen en Amersfoort met elkaar verbindt, kom ik aan op het station in Amersfoort, Vanaf daar rijden Martijn Duifhuizen en ik oostwaarts. Op naar Hertme, een dorp in de Twentse weilanden.
Het Nederlandse wegen- en treinnetwerk is sterk met elkaar verbonden, maar ‘verbinding’ is voor veel Nederlanders soms zeer problematisch als het gaat om de onderlinge contacten. Eind 2017 bleek uit een onderzoek van het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (van het SCP) dat Nederlanders steeds meer polarisatie ervaren. Intolerantie en onverdraagzaamheid zijn thema’s waar veel mensen zich grote zorgen over maken.
Dat er echter ook veel initiatieven worden genomen door Nederlanders om tot meer verbinding te komen, wordt vaak vergeten helaas of amper gezien. Kunstenaar Martijn Duifhuizen is een van die vele initiatiefnemers. Hij studeerde in 2004 af aan de Willem de Kooning academie in Rotterdam. In het verleden exposeerde hij onder andere in het Stedelijk Museum in Zwolle en het Gemeentemuseum in Den Haag. Voor hem zijn de bijbel, het christendom en zijn reizen naar Oost-Europa een inspiratie voor het project dat aanleiding is voor deze ontmoeting: communio sanctorum, oftewel: heilige gemeenschap.
Het witte vierkant van 10 bij 10 centimeter, verpakt in een wit doosje, is het beste te beschrijven als minimal art. Op het eerste gezicht lijkt de abstractie in lijn te zijn met Mark Rothko of het zwarte vierkant van Kazimir Malevitsj. Maar wie dichterbij komt, vindt de namen van duizend mensen van 1517 tot aan vandaag, bekenden en onbekenden, verborgen in de horizontale lijnen.
Martijn: “In het kunstwerk staan de namen van protestanten en katholieken op één lijn. Namen van mensen die in de geschiedenis soms lijnrecht tegenover elkaar hebben gestaan. Dat is wel iets boeiends, een naam. Bij de dodenherdenking op 4 mei worden namelijk ook namen genoemd en dan is het net alsof die personen tot leven komen.
Ik heb intuïtief namen toegevoegd in het kunstwerkje, maar mensen raadden mij ook andere namen aan. Op die manier heb ik de inmiddels overleden zuster Aloysa toegevoegd, maar ik wist niet dat zij ook een tweelingzus had. Toen ik daar achter kwam, heb ik haar naam ook op het kunstwerk geplaatst: zuster Josephine, of eigenlijk Dorothea Hendrika, haar doopnaam.”

“Eerst koffie!” zegt Josephine als we aankomen in Huize Uitzicht. De 87-jarige vrouw laat nergens gras over groeien. Ondanks haar hoge leeftijd zet ze zich nog steeds met hart en ziel in voor haar medemens. Ze is onder andere initiatiefnemer van Stichting Noodopvang Dakloze Asielzoekers (NDA) in Hermte. Deze organisatie zorgt op dit moment voor zestien asielzoekers uit Afrika, en landen als Roemenië en Georgië.
Er wordt wel gezegd dat mensen steeds meer verharding of verruwing ervaren. Ervaart u ook polarisatie in de samenleving?
Josephine: “Nou, ik dacht van wel! Als je kijkt in de politiek hoe bepaalde partijen daarin bezig zijn… Ze willen een polariserende denkwijze introduceren en krijgen mensen daar nog gek voor ook. Ik begrijp dat niet. De wereld is niet volmaakt gemaakt, maar wij hebben wel de taak om te zorgen dat zij iets beter wordt, daar hebben we ons voor in te zetten. Daartoe zijn wij geschapen.”
Dus een eigen verantwoordelijkheid?
Josephine: “Ja, daar sta ik helemaal achter.”

En nu is zuster Josephine dus opgenomen in het kunstwerk van Martijn. Zij met een katholieke achtergrond, hij streng gereformeerd. Na een levendige correspondentie via de mail ontmoeten zij elkaar vandaag voor het eerst.
Martijn haalt het op het eerste gezicht witte vierkantje uit de tas die hij mee heeft genomen. De loep wordt erbij gehaald en samen lezen zij de namen van protestanten en katholieken. Ze zoeken naar Josephines naam en die van haar in 2014 overleden tweelingzusje, zuster Aloysa van Amersfoort. Of eigenlijk Petronella, haar doopnaam.
Wat betekent het voor u om opgenomen te zijn in het kunstwerk van Martijn?
Josephine: “Ik zal je wat vertellen: ik ben er één van een tweeling. Ik heb me altijd intens verbonden gevoeld met mijn tweelingzus en het was voor mij heel verdrietig toen ze stierf. Het voelt nu net alsof er een monumentje voor haar is opgericht. Ergens mag ze er zijn, als blijvende herinnering. Toen zei Martijn dat ik er ook op mocht. Dan voel je gewoon die verbondenheid weer. Die is zo intens.”
Want Aloysa heeft zich ook ingezet voor de samenleving? Bijvoorbeeld voor de Koerden heb ik begrepen?
Josephine: “Dat is eigenlijk begonnen met een hongerstaking in Eindhoven en toen hebben ze aan Aloysa gevraagd of ze niet een plek had waar dan kon. Zij heeft zich daarvoor ingezet en het voor elkaar gekregen dat ze een kerk kreeg, waar ze uiteindelijk een hele tijd hebben gezeten. Ze hebben het toch nog steeds moeilijk, die Koerden, maar die komen wel op voor hun rechten!”

Bent u net als uw tweelingzus rebels geweest in u leven?
Josephine: “Nou ik kan wel een keer kwaad worden als er dingen gebeuren waar ik het niet mee eens ben. Ik kan een recent voorbeeld noemen. Wij hebben vijftien vluchtelingen in de opvang en we hebben daar een prachtig huis voor. Zij vinden daar een stukje geluk terug.
Maar nu heeft het huis geen woningbestemming, dus we moeten er uit want de industrie is belangrijker. Nu moeten we voor al die mensen een ander onderkomen zoeken. Ik word niet kwaad dat ik dat moet doen, maar dat het op die manier gebeurt!
Het zijn mensen die tussen wal en schip vallen. Ze zijn al in het AZC geweest en er lopen nog allerlei procedures, maar ze mogen die niet afwachten in het AZC. Nou daar zijn wij voor, voor die mensen.”
Op jonge leeftijd hebt u zelf ook ervaren wat het betekent om te moeten vluchten. Kunt u daar iets meer over vertellen?
Josephine: “We zijn uit Den helder verjaagd door de oorlog. We hadden een groot gezin van acht kinderen en tijdens een bombardement vloog het hele gezin uit elkaar. De ene vloog hier naartoe, de andere daar naartoe. Toen het voorbij was, toen we bij het krieken van de morgen weer naar huis gingen, troffen we mijn moeder aan de deur. Toen ik aankwam zei ze: ‘Goddank, weer ien‘”.
En wat is er toen gebeurd?
Jospehine: “Een deur konden wij niet meer horen klappen en wij kregen ook geen eten meer door de keel vanwege de spanning. Dat betekende gewoon: wegwezen hier! Als je nog langer blijft, dan komen er brokken. Ik was toen tien jaar.
We zijn uit Den Helder weggegaan en uiteindelijk in Brabant terechtgekomen. Met vier meisjes, twee tweelingen, gingen we naar het internaat. Dat betekende gewoon dat, als er weer gevlucht moest worden, mijn moeder niet de hele kluit hoefde te beschermen.
Het internaat was prima en wij leefden daar waar je van de oorlog niks merkte. Sommige mensen praten verschrikkelijk over het internaat, wij hebben eigenlijk veel plezier gehad met die meiden onder elkaar. Wat een lol hebben we gehad!”
Want u bent eigenlijk door de oorlog bij de Zusters van Liefde gekomen?
Josephine: “Ja, dat was natuurlijk wel heel mooi. Ik heb daar dus de opleiding gehad en kennis gemaakt met de Zusters van Liefde. Op een gegeven ogenblik was ik klaar en onderwijzeres en, nou goed, dan is de hele wereld opeens anders geworden. Dan komt de fase van het leven: hoe ga ik verder?”
Hoe oud was u toen?
Josephine: “Negentien. Ik ging naar dansavondjes en ik snuffelde wat rond. Zo gaat dat nou eenmaal en zo hoort het ook. Maar goed, je wilt toch echt wat goeds van je leven maken. Het was mij door mijn opleiding al bekend dat de Zusters van Liefde zich inzetten voor mensen die misdeeld waren en niet meetelden.
Het was toen wel even spannend. Red ik het ook? Het was ook nog eens een totaal ander leven. Je zag af van een huwelijk of kinderen bijvoorbeeld. Maar die stap heb ik gezet en ik heb er trouw aan kunnen blijven. En eerlijk gezegd: ik vind het heel zinvol.”

Hoe kunnen we volgens u beter met elkaar samenleven in Nederland?
Josephine: “Dat is een goede vraag. Het is misschien een beetje utopisch, maar ik zou graag een land zien waar we echt voor iedereen openstaan en waar iedereen tot zijn recht mag komen. Waar iedereen kansen krijgt en waar er geen geruzie is. Er mag ook geen macht zijn. Men wil maar macht hebben, wat is dat nou toch? En dat rotgeld. We hebben het wel nodig, maar het zou toch mooier zijn als we alles met elkaar konden delen.”
Hoe is dat voor jou, Martijn?
Martijn: “Natuurlijk, er blijven verschillen, maar respecteer gewoon die verschillen. Ik heb laatst een interessant stuk gelezen van hoogleraar Halleh Ghorashi. Zij stelt eigenlijk dat we teveel essentialistisch denken over wat een echte Nederlander is; het of-of denken. Dit hangt vaak samen met het lichaam en de religie van mensen. Mensen denken vaak: óf je bent een Nederlander óf Marokkaan.
Alles wat afwijkt van een witte Nederlander met een joods-christelijke achtergrond wordt hiermee gediskwalificeerd. Ik vind het belangrijk dat we de sensitiviteit voor elkaar weer terugvinden en elkaar tegemoet treden zonder vooroordelen. Eigenlijk besta je vooral bij de ander. Je hebt de ander harder nodig dan dat je denkt.”

Denk je dat kunst een verbindende rol kan spelen?
Martijn: “Ik denk dat het wel meer die rol kan vervullen dan nu gebeurt. Ik ben een minimalist, dat maakt kunst voor mij boeiend, want dan blijft er meer over voor de kijker. Ik zoek naar de meest simpele vorm waardoor er meer ruimte over blijft voor de verbeelding. De voor het oog horizontale grijze lijnen in communio sanctorum nodigen uit dichterbij te komen en te kijken, waarop de verrassing volgt. Pas wanneer je de loep ter hand neemt gaat er een ‘breder wij’ voor je open.
Ik vind de verschraling in de samenleving soms pijnlijk. Je moet eigenlijk juist de verwondering aanleren bij kleuters. Karel Appel maakte ook ‘kinderachtige’ schilderijen. Hij was een keer aan het ‘rotzooien’ toen er een vader naar hem toe kwam, die zei: ‘Wat jij kan, dat kan mijn kind ook.’ En toen zei Appel: ‘Ja maar jij niet!’
Juist dat heeft met verwondering te maken. Bijvoorbeeld een spinnetje dat een web weeft. Nu leren kinderen veel via televisie, maar ze moeten gewoon naar buiten! Daar vind je ook een hoogstaand stukje kunst! En je kunt op die manier ook heel snel verbindingen leggen.”
Hoe heeft ‘naar buiten gaan’ voor jouzelf dan een verbindende rol gespeeld?
Martijn: “Wat voor mij heel belangrijk is geweest, zijn mijn reizen als kind naar Oost-Europa. Toen ging ik met mijn ouders mee om daar christenen te helpen tegen de onderdrukking van het communisme. Mijn ouders pakten altijd de hele auto in en vertelden ons dat we op vakantie gingen naar Oostenrijk. Die bestemming veranderde onderweg in Rusland. Omdat er een kans was dat we het zouden doorvertellen aan de buren, mochten wij van niks weten.
Dan reden we zo door naar de Poolse grens. Soms stonden we daar wel zes uur vast en werd alles gecontroleerd door de douane. De camper werd hier en daar zelfs gedemonteerd, de appels werden doormidden gesneden want er kon iets anders inzitten dan een klokhuis. Voor mijn ouders vaak spannende momenten, voor mij was het vooral een avontuur.
Er zijn ook bijzondere dingen gebeurd op de reizen. Op een van de snikhete zomerdagen in 1984 ging mijn vader bijbels afleveren bij de 82-jarige dominee Popov in Sjoemen, een mooie stad in Bulgarije. Het was op dat moment verboden om bijbels in je bezit te hebben. Popov heeft zes jaar aaneengesloten in de gevangenis gezeten omdat hij ondanks het regime zijn geloof leefde. Volgens hem heeft de KGB (geheime politie) hem zelfs geholpen met de bijbelverspreiding omdat zij in de krant vermeldden hoe slecht Popov was, toen bij hem thuis christelijke lectuur gevonden werd.
Mijn vader had de route naar het kerkje van Popov uit zijn hoofd geleerd maar vond dit kerkje niet. De volgende dag probeerde mijn moeder het nog een keer en vond het kerkje achter een 16 verdiepingen hoge flat, bewust daar neergezet om onder het communisme zo min mogelijk aandacht te trekken. Het bleek dat Popov twee weken bij zijn zoon gelogeerd had in Belokopitovo, 100 kilometer bij Sjoemen vandaan. Hij had opeens sterk het gevoel gekregen dat hij huiswaarts moest gaan, hoewel hij in eerste instantie langer zou blijven. Mijn moeder mocht binnen komen en zijn eerste vraag was: ‘Heb je bijbels?’
Ook ben ik in contact gekomen met christenen uit allerlei denominaties binnen het christendom. In Kiev vloog het wijwater me om de oren in de Sophia kathedraal, in Roemenië werd ik ’s morgens wakker van het geluid van gehamer en getik. Dit bleek van een monnik in het klooster vlakbij te zijn. Hij liep dan iemand met een plank door de omgang waar hij met op hamerde om de duivel en het kwaad te verjagen. Kortom: een christelijk Europa in allerlei verschijningsvormen.”

Wat heb je van deze ontmoetingen geleerd?
Martijn: “Het is met name waardevol als je ziet hoe protestanten en katholieken nog steeds over elkaar denken. Ik kijk zelf wel over kerkmuren heen, maar ik constateer tegelijk bij mijn eigen clubje dat het heel erg nog wij-zij is. Ik zal een voorbeeld geven: de mis wordt in de Heidelbergse Catechismus bestempeld als vervloekte afgoderij.”
Josephine: “Oh, oh!”
Martijn: “Gelijk weer vergeten hoor. Dat is nou niet wat je zegt verbindend. Als je naar de geschiedenis kijkt, dan zie je ook dat een groot deel van de protestanten op een heel onfatsoenlijke manier met de katholieken zijn omgesprongen destijds. Je hebt de martelaren in Gorcum gehad. Hoewel het niet de bedoeling van Willem van Oranje was om tot vervolging van katholieken over te gaan, schiep hij er door het omarmen van de Geuzen wel de gelegenheid toe.
Ik wil dus eigenlijk als protestant ook mijn excuses aanbieden aan de katholieken. In het kunstwerk staan ook namen van mensen die in hun leven misschien lijnrecht tegenover elkaar stonden maar in het kunstwerk staan ze op één lijn.”
Is het echt overal zoveel wij-zij?
Josephine: “Nee hoor. Hier hebben we een Raad van Kerken waar diverse kerken in zitten en gezamenlijke activiteiten doen. Gisteren ben ik nog naar een kruisweg geweest bij een kerkje in de buurt, een priester en een dominee en die waren er allemaal bij betrokken. De mensen die er waren, waren van allerlei slag.”
Martijn: “En dat ging allemaal samen?”
Josephine: “Jazeker.”
Martijn: “Als ik naar jouw leeftijd kijk, dan zit ik ongeveer op de helft. Wat zou je me als les willen meegeven voor de komende 40 jaar?”
Josephine: “Ik ben echt onder de indruk hoe jij het religieuze in het leven aan mensen wilt meegeven en ik zou je toewensen dat je dat blijft ontwikkelen! Verder wil ik geen lessen geven, want dat heb ik lang genoeg gedaan. Het is tijd voor snert!”

Advertenties

Angst als raadgever

Rik Kuiper en Annieke Kranenberg in de Volkskrant van 27 juli 2018

Ex-lijsttrekker PVV Rotterdam: ‘Ik vind dat etnische Nederlanders de meerderheid moeten vormen in dit land’

Géza Hegedüs was precies één dag lijsttrekker in Rotterdam, toen de PVV hem weer bij het vuil zette. Zijn denkbeelden waren zelfs voor de partij van Wilders te radicaal. Maar volgens Hegedüs is dat een misverstand.

De man van het kortste lijsttrekkerschap uit de recente politieke geschiedenis zit op een vrijdagochtend achter een kop groene thee in het Westerpaviljoen in Rotterdam. Nee, hij praat niet met de Volkskrant omdat hij iets recht te zetten heeft na zijn eendaagse bliksemcarrière als lijsttrekker van de Rotterdamse PVV. En ook niet omdat hij anderen de schuld wil geven. ‘Dat slachtoffergedoe’, zegt hij, ‘daar heb ik niets mee.’
Géza Hegedüs (1962) wil gewoon het gesprek aangaan, ‘een redelijk gesprek waarin duidelijk wordt wat ik nou werkelijk denk’. En dat gesprek kan dan bijdragen aan ‘het bewustwordingsproces’, waar hij meerdere malen aan refereert. Want mensen moeten gaan inzien dat het zo niet langer kan. ‘We halen grote groepen mensen binnen die niet te integreren zijn’, zegt hij. ‘Die gaan hun plek opeisen en daar heb ik problemen mee. Ik vind dat Nederlanders of Duitsers of Hongaren recht hebben op een eigen soevereine natiestaat waar ze als soeverein volk met hun eigen cultuur kunnen leven. Massa-immigratie bedreigt dat. De grenzen staan open. Het is de vernietiging van Europa.’
Dat is ook precies waarom Hegedüs zich in het voorjaar van 2017 bij de PVV meldde, ‘de enige partij die zulke dingen bespreekbaar maakt en oplossingen aandraagt’, al vindt hij Thierry Baudet ook een ‘interessante denker’. Hegedüs belandde in ‘het klasje van Geert’ en dan gaat het snel.
‘Hier links staat hij’, zei Wilders op 14 december 2017 in Rotterdam tegen de verzamelde journalisten. ‘De heer Géza Hegedüs, geboren en getogen Rotterdammer. Ik ben ontzettend blij dat hij uit het niets want hij heeft geen politieke ervaring onze lijst gaat aanvoeren.’

Een dag later ging het al mis, wanneer de antifascistische onderzoeksgroep Kafka meldt dat Hegedüs actief is bij het extreem-rechtse studiegezelschap Erkenbrand. In het stuk citeerde Kafka uit podcasts van Erkenbrand. Daarin zegt Hegedüs bijvoorbeeld dat David Duke, de voormalige leider van de Ku Klux Klan, ‘interessante dingen te vertellen’ heeft.
Beluister hieronder het fragment waarin Hegedüs spreekt over de Ku Klux Klan.

Tegelijkertijd vroeg de Volkskrant de PVV te reageren op een andere aflevering van de podcast, waarin Hegedüs bespreekt hoe van Nederland een etnostaat gemaakt kan worden een staat voor etnische Nederlanders. ‘In een stad als Rotterdam, waar ik vandaan kom, zie je grotendeels alleen maar negers met Nederlandse jonge vrouwen’, zegt hij daarin. ‘Dat is het grote gevaar. ’
Beluister hieronder het fragment waarin Hegedüs bespreekt hoe van Nederland een etnostaat gemaakt kan worden.

Ook het AD kwam nog met nieuws. Hegedüs had in 2014 Holocaustontkenner David Irving gefeliciteerd op Facebook: ‘Ik heb veel respect voor je.’
Al met al genoeg reden om de kersverse lijsttrekker bij het vuil te zetten. Op Twitter schreef Wilders: ‘Als we dit hadden geweten dan was de heer Hegedüs nooit op de lijst gezet.’

Wat gaf de doorslag?
‘Ze vonden het te belastend. Erkenbrand, die podcast.’
Erkenbrand is een gesloten club, u zat erbij.
‘Nou, ik ben daar nooit lid van geweest. Ik ken iemand die daar mensen kent. Maar ik ken ook mensen in de ultra-linkse hoek. Ben ik dan een marxist?’

Hoe kijkt u terug op de commotie?
‘Ik ben er niet depressief van geworden. Het hoort erbij. Ik had wel te doen met mijn moeder. Voor haar was het slikken dat haar zoon zo werd neergezet. Nu zou ik sommige dingen anders aanpakken. Zoals met die podcast over de etnostaat. Ik had de context beter moeten schetsen.’
Het was allemaal een misverstand, lijkt Hegedüs te willen zeggen. Hij bedoelde zijn uitspraken nooit zoals ze geïnterpreteerd zijn. Die felicitatie aan Irving had te maken met ‘het historisch onderzoek’ dat de Brit heeft gedaan. En die podcast over de etnostaat dat was vooral een gedachtenexperiment. ‘De insteek was: áls je een etnostaat zou willen, wat zijn dan de consequenties? Dat is waar ik zo open over gesproken heb. Ja?’
Het leek meer dan een gedachtenexperiment. Turkse, Marokkaanse en Surinaamse Nederlanders moesten terug, zei u. Desnoods met dwang.
‘Ik ben het zat dat dingen niet bespreekbaar zijn. In deze podcast bespreken we ze wel. Dat heb ik heel extreem gedaan.’

Maar wilt u zo’n etnostaat?
‘Mensen die een etnostaat willen zijn net zo naïef als die globalisten die iedereen binnen willen laten. Die etnostaat is niet te creëren. Ik vind wel dat etnische Nederlanders de meerderheid moeten vormen in dit land, als dominante groep en als dominante cultuur.’
Hegedüs groeide op in Rotterdam, als kind van Hongaarse vluchtelingen die in 1956 naar Nederland zijn gekomen. Hij kreeg een gereformeerde opvoeding en kwam als puber in aanraking met ideeën die daarmee botsten. Hij droeg zwarte pakken, smeerde zeep in zijn haar en werkte in een platenzaak.
Begin jaren tachtig ging hij het leger in, wat hij ‘als kleine jongen’ al wilde. Tijdens een missie naar de Sinaï-woestijn maakte hij kennis met ‘onvriendelijkheid’ in de Gazastrook die achteraf bezien zijn wereldbeeld deed kantelen. ‘Er werden stenen naar je gegooid. Ik begreep toen alleen niet waarom.’
Verder wil hij niet veel kwijt over zijn ervaringen in de krijgsmacht, de reden van zijn vertrek en zijn huidige bezigheden. Hij leeft momenteel van een bijstandsuitkering en zit ‘in een oriënterende fase naar het ondernemerschap’.

Liever spreekt hij over de ‘multi-etnische’ samenleving. ‘Die werkt niet’, herhaalt hij keer op keer. ‘Het gaat tegen de menselijke natuur in. Ik denk dat dit heel erg fout gaat lopen.’
Een paar dagen na het gesprek zingen soortgelijke uitspraken rond in de media. Televisieprogramma Zembla toont beelden van minister Stef Blok van Buitenlandse Zaken, die op een besloten bijeenkomst zegt: ‘Noem mij (…) een multi-etnische of multiculturele samenleving waar de oorspronkelijke bevolking nog woont en waar een vreedzaam samenlevingsverband is. Ik ken hem niet.’ Hegedüs reageert desgevraagd per e-mail.

Die uitspraken deden ons sterk aan uw visie denken. Wat vindt u ervan?
‘Het is positief dat hij dit zo openlijk heeft gezegd. Blijkbaar leeft dit besef ook onder politici maar wordt het vanwege het politiek correcte klimaat en het eigenbelang verzwegen. De belangen van het Nederlandse volk zijn ondergeschikt , in mijn ogen een groot plichtsverzuim.’

Blok maakte wel excuses.
‘Dat verbaast mij niet. Jammer dat hij niet meer ruggegraat toont.’

In het gesprek benadrukt Hegedüs meermaals dat hij het steeds over ‘groepen’ heeft, en niet over ‘individuen’. ‘Mijn beste vriendin is een Marokkaanse Een van mijn beste vrienden, dan heb ik het over échte vrienden, is een creool.’

Hoe kijken zij tegen uw denkbeelden aan?
‘Ik heb interessante gesprekken met ze. Ze zijn ruimdenkender dan de meeste Nederlanders.’

Zij zijn toch ook Nederlanders?
‘Dat mag u vinden. Ik zie dat niet zo. Ja, in juridische zin, maar in etnische zin niet.’
Welke consequentie moeten zij hieraan van u verbinden?
‘Hoe bedoelt u?’

Horen ze erbij of moeten ze weg?
‘Stel dat er alleen een paar duizend Marokkanen waren gekomen en dat het daarbij was gebleven. Die mensen waren opgegaan in de bevolking. Maar kijk hier in Rotterdam. Het is niet één volk, het zijn losse volkeren die naast elkaar leven.’
Het begrip ‘volk’ is in deze context wel ingewikkeld.
‘Daar begint het probleem! Mensen zoals u, die die Nederlandse identiteit ontkennen, delven dadelijk het onderspit. Een volk dat zijn eigen identiteit verloochent, gaat ten onder.’

Later haalt hij Tunahan Kuzu erbij, de fractievoorzitter van Denk. ‘Hij is in uw ogen een Nederlander, toch? Mensen van buiten hebben het staatsburgerschap gekregen mensen die dat nooit hadden moeten krijgen. Doordat iemand als Kuzu het staatsburgerschap heeft, kan hij politieke macht gaan uitoefenen. En dat is niet in het belang van Nederland en de Nederlanders.’

Kuzu groeide hier op.
‘Wat zegt dat? Hij staat voor de Turkse identiteit en voor de islamitische identiteit. Dat kan niemand ontkennen. En wat zei hij pas geleden? Dat als het Nederlanders hier niet beviel, dat ze maar moesten oprotten.’

Was dat geen ironie, een sneer naar die ‘Pleur op’ van Rutte?
‘Meent u deze vraag serieus? Dat vind ik heel naïef.’
Het gesprek komt op vluchtelingen. Nou ja, de meesten zijn helemaal geen vluchteling, zegt Hegedüs. ‘De asielwetgeving is duidelijk. Je moet asiel aanvragen in het eerste veilige land waar je binnenkomt. Maar ze trokken verder. Het zijn immigranten, ze komen voor een beter leven.’

Dat kun je hen toch niet verwijten?
‘Nee, natuurlijk niet. Maar en nu komen we op het goede punt onze overheid moet zorgen dat deze mensen hier niet binnenkomen.’

En die Hongaren die in 1956 hierheen kwamen dan?
‘Weet u hoe dat gegaan is? Ze zijn in Oostenrijk opgevangen in kampen, waar de Nederlandse regering mensen met de juiste beroepen selecteerde. Ze doorkruisten niet op eigen houtje Oostenrijk en Duitsland om hier asiel aan te vragen.’
Op Twitter gaat u fel tekeer tegen vluchtelingen. Zo reageerde u op een bericht over vluchtelingen die een kapitein bedreigden.
‘Ze kwamen uit Libië en zijn op de Middellandse Zee door een Italiaans schip opgepikt. Toen bleek dat ze niet verder mochten, hebben ze de bemanning bedreigd.’

U schrijft dat ze hun ‘ware gezicht’ laten zien.
‘Ja. Ontken dat maar eens.’

Toont het niet de wanhoop?
Cynisch: ‘Dus als u wanhopig bent, bedreigt u de mensen die u uit zee hebben gevist?’
Ze hebben huis en haard achtergelaten voor een beter leven, al hun spaargeld erin gestoken en dan dreigt alles te mislukken.
‘Weet u hoeveel zo’n overtocht kost? Wie kan dat betalen in Afrika? De middenklasse, de bovenklasse.’

Maar wat bedoelde u met hun ‘ware gezicht’?
‘Dreigt een schip ten onder te gaan, dan komt er bij bepaalde mensen iets naar boven. Ze gooien kinderen overboord om zelf in de sloep te geraken. Maar dit was geen zinkend schip, ze werden gewoon teruggebracht naar Libië. En u heeft toch ook de beelden gezien bij de Hongaarse grens, hoe ze hun kinderen over het hek gooiden? Dat is wat ze doen, hè?’

En oorspronkelijke Nederlanders doen dat niet in zo’n situatie?
Hij is even stil. Dan: ‘Nee, ik denk het niet. Er zijn culturele verschillen. Waar die uit voortkomen, moet onderzocht worden. Maar het zijn wel feiten. In de Gazastrook worden ook kinderen in gevaarlijke situaties gebracht, hè? Dat doen ze doelbewust. Ook een feit.’

Ligt dat niet aan…
‘Ach, dat politiek-correcte gedoe! Zo van: alle mensen buiten Europa zijn slachtoffers en wij zijn verschrikkelijke blanke racisten die iedereen buiten willen houden. Maar wij hebben ook rechten. Wij mogen toch soeverein leven in onze eigen natiestaten? Wij kunnen niet de hele wereld redden.’
U bent zelf kind van vluchtelingen.
Fel: ‘Ja. En? Heb ik die keuze gemaakt om hier te komen? Nee. Die keuze is voor mij gemaakt.’

Ziet u zichzelf als een etnische Nederlander?
‘Nee.’

Dus eigenlijk zou u terug moeten naar Hongarije.
‘Ja, misschien wel. Dat speelt wel door mijn hoofd.’

Het lijkt soms wel of niemand meer met iemand overweg kan

Greta Riemersma in de Volkskrant van 27 juli 2018

Alles aan onze vriendschap is voor de buitenwereld vreemd
Vooral op sociale media lijkt het soms wel of niemand meer met iemand overweg kan. De Volkskrant zet daar deze zomer vrienden tegenover die grote en kleine verschillen overbruggen. Deze week: schrijver Mounir Samuel en Eerste Kamerlid voor D66 Petra Stienen.

Toen Mounir Samuel (28) onlangs zijn nieuwe boek God is groot – Eten, bidden en beminnen met moslims presenteerde, hield Petra Stienen (53) een toespraak. Ze sprak over het ‘Graf met de handjes’ in haar geboortestad Roermond, met daarin een jonkvrouw en een kolonel die voor 19de-eeuwse begrippen een ‘gemengd huwelijk’ hadden – de een was katholiek en de ander protestants. Na hun dood mochten ze niet op één begraafplaats liggen en zo belandden ze aan twee kanten van een muur. Daar overheen houden twee gebeeldhouwde handen elkaar vast. Dát is wat Samuel in zijn boek doet, zei Stienen: als christelijke Egyptische Nederlander reikt hij zijn hand over de muur.
Tijdens de toespraak gebeurde er iets. Stienen voelde aan de zaal dat mensen zich afvroegen: huh, hoe zit het nou met die twee? Zo’n mevrouw, ex-diplomaat en Eerste Kamerlid namens D66, wat moet die met de veel jongere schrijver Mounir Samuel, die zo totaal wars van conventies is? Waarom legt ze een verband tussen haar eigen Limburgse achtergrond en Mounir Samuel met zijn boek over moslims en de islam? Na afloop zei iemand tegen Samuel: ‘Wow, zij houdt echt van jou, hè?’ Samuel antwoordde: ‘Wat dacht je dan, waarom zou ik anders al ruim zeven jaar vrienden met haar zijn.’ Het weerwoord: ‘Ja, maar ik dacht: misschien, toch…’
Jullie krijgen heel vaak vragen over jullie vriendschap, heb ik begrepen. Hoe komt dat?

Samuel: ‘Tja, wie van ons tweeën kopt hem in?’
Stienen: ‘We zijn geen stel-stel, maar er is wel intimiteit tussen ons, dat merk je zelfs als we een stukje van elkaar af zitten. Je ziet mensen vaak een beetje zenuwachtig worden als ze ons samen zien, ze snappen het niet.’
Samuel: ‘Het heeft te maken met deze tijd, waarin mensen steeds minder onbaatzuchtig zijn en snel denken: wat levert mij dit op? Wat wij met elkaar hebben zou dan eerder een werk- of een netwerkcontact moeten zijn.’
Dat had gekund. Jullie zijn allebei Midden-Oostendeskundigen.
Samuel: ‘We hebben het wel over het Midden-Oosten omdat daar ons hart ligt, maar we hebben het weinig over politieke kwesties. Sowieso zijn we niet zo van het debatteren. Kijk, we kunnen simpel zijn: alles aan onze vriendschap is voor de buitenwereld vreemd. We leven in een tijd van identiteitspolitiek waarin mensen eendimensionaal worden gemaakt. Volgens die redenering klopt er nogal wat niet aan ons tweeën: we zijn man en vrouw, er is een groot leeftijdsverschil, wat Petra tot een cougar zou maken en mij tot een gold digger, of weet ik wat.’
Stienen grinnikt: ‘Er is weinig gold hoor, schat.’
Samuel: ‘Ja, I know. Maar goed, zij is hetero en ik niet, zij is van D66 en ik ben niet de grootste sympathisant van die partij. Omdat ze van D66 is, wordt gedacht dat ze niet gelovig is en ik ben dat wel…’
Stienen: ‘Ons temperament is verschillend. Soms denk ik: mmm, een beetje doseren mag wel.’
Samuel, met een lachje: ‘Dat heet jong en bevlogen.’
Nou goed, Petra is dus wat rustiger.
Samuel: ‘Ik zou zeggen dat ik contemplatief passioneel ben en ik vind Petra hartstochtelijk redenerend. De ene keer steekt het ene meer de kop op en de andere keer het andere. Op mijn boekfeest, na afloop van de presentatie, heeft Petra gebuikdanst. Dat doet ze prima hoor, niks mis met die heupen.’
Stienen: ‘Mounir zet mij aan, omdat hij uitstraalt: durf alles te zijn wat je wilt.’

Het is ’s ochtends iets na half elf als Mounir appt dat hij op het verkeerde station is uitgestapt. Hij heeft een oogziekte, waardoor zijn zicht voor 90 procent is verdwenen en dan horen dit soort onverwachte wendingen in het programma er soms bij, helemaal als hij op relatief onbekend terrein is. Hij woont in Amsterdam, Stienen in Den Haag. Op haar verzoek zitten we in een café in het Haagse winkelcentrum New Babylon, ze gaat bijna op reis en zit krap in de tijd.
We wachten even en dan begint Stienen te bellen. ‘Hallo schat! Waar ben je?’ Samuel is al in New Babylon, maar moet nu het café nog vinden. Er volgen aanwijzingen, links, rechts, tegenover de blauwe borden en dan roept Stienen ineens: ‘Hé, je bent er al, ik zie je lopen. Ik zie een hele mooie man!’ Tien seconden later loopt de man het café binnen, ze omhelzen elkaar en dan gaan ze zitten, deze twee heel verschillende mensen volgens buitenstaanders, die iets met elkaar hebben, maar wat?
Petra Stienen is arabist en was zeventien jaar diplomaat, waarvan negen jaar in Egypte en Syrië. Ze adviseert overheden, bedrijven en ngo’s op het gebied van diversiteit, inclusie en persoonlijk leiderschap en is daarnaast één dag in de week senator. Ze schreef boeken over het Midden-Oosten en de wijk in Roermond waar ze opgroeide, de Donderberg. Mounir Samuel is politicoloog en journalist voor De Groene Amsterdammer, performance-artiest en theatermaker en schrijver van intussen tien boeken. Thema’s in zijn werk: de Arabische wereld, sociale revolutie, maatschappelijke verandering, geloof, minderheden en rechtvaardigheid.
Pauw & Witteman
Ze werden in 2011 tegelijk bekend bij een groot publiek, toen ze tijdens de volksopstand in Egypte geregeld aan de talkshowtafel van Pauw & Witteman plaatsnamen om de ontwikkelingen te duiden. De uitzending van 11 februari werd memorabel: president Moebarak was afgetreden en om dat te vieren buikdanste Samuel op de tafel. Hij heette toen nog Monique en droeg een doek om de heupen met gouden rinkeltjes erop.
De avond was om meer redenen speciaal. Vlak voordat ze de studio binnengingen, bespraken ze het competitieve sfeertje dat rondom hen was ontstaan. Op sociale media en in hun eigen omgeving was deze kwestie aan de orde: wie zit er vanavond bij Pauw & Witteman te duiden, komen ze allebei of apart? Op Stienen werd het beeld geplakt van de ervaren Midden-Oosten-deskundige, op Samuel dat van jonge, frisse nieuwkomer in commentatorland. Zelf hadden ze niets met dit soort tegenstellingen, waarop Stienen tegen Samuel zei: ‘Weet je, zie me maar als je grote zus.’
‘Dat moment is me heel erg bijgebleven’, zegt Stienen. ‘We stonden daar en hadden allebei dat Midden-Oosten-achtige, familiaire inner circle-gevoel.’ Na afloop van de uitzending zei Stienen: ‘We moesten maar eens samen eten.’ Zo toog Samuel op een zonnige dag naar Stienens huis, waar ze aten aan de keukentafel. ‘Dat betekende heel veel voor mij’, zegt Samuel. ‘Wanneer word je in Nederland nu direct thuis uitgenodigd?’

Hoe heeft het zich daarna ontwikkeld? Zien jullie elkaar vaak?
Samuel: ‘Nee, dit is een vriendschap van kwaliteit en niet van kwantiteit. Elkaar vaak zien is complex met onze levens, zeker met het drukke schema van Petra.’
Stienen: ‘Mag ik even? Ik heb geen druk leven, ik heb een vol leven.’
Samuel: ‘We zien elkaar misschien acht keer per jaar, en het kan ook vier of tien keer zijn — maar dit is niet waar het om gaat. Als we bij elkaar zijn, staat de tijd stil en ik merk dat ik nog dagen, zo niet weken op Petra’s uitspraken kauw.’
Noem eens wat?
Samuel: ‘Tijdens het diner aan de keukentafel zat ik midden in mijn master international relations and diplomacy. Ik overwoog om bij Buitenlandse Zaken te gaan werken en toen ik dat aan Petra voorlegde, zei ze: ‘Je bent als een mes dat aan twee kanten snijdt, dat past niet in een bestekla.’
Weet jij dat nog, Petra?
Stienen, stellig: ‘Nee.’
Samuel: ‘Ik zal het nooit vergeten. Ik begreep meteen waarom ik niet de meest geschikte persoon ben voor Buza. Alles viel op zijn plek, waarom veel mensen zo ongemakkelijk worden in mijn buurt. Wat snijdt, dat schuurt ongewild, hè? Dat was een heel groot inzicht en het gaf me rust. Ik hoor in geen enkele bestekla.’
Wat bedoelde je met die opmerking, Petra?
Stienen: ‘Mounir is moedig. Ik ben voorzitter van de Stichting Vrienden van Rutgers en we hadden een avond over grenzen, waarbij Mounir een training gaf. Hij deed een soort ‘Over de streep’ en vroeg aan mensen zichzelf te positioneren op grond van geaardheid, geslacht en gender.’
Samuel: ‘Iedereen begon met de binaire gedachte: ik ben hetero of homo, ik ben man of vrouw. Ik wilde laten zien dat we in een continuüm staan, we zijn allemaal masculien en feminien. Ik merkte dat sommige mensen in de war raakten en Petra had de houding: let’s do it, kom op met dat zelfonderzoek! Petra denkt constant buiten haar eigen kaders, voor zover die bestaan.’
Stienen: ‘In Mounirs buurt word ik zelf ook altijd moediger. Hij laat zien dat alle grenzen fluïde zijn. Iedereen zou zijn eigen seksuele identiteit moeten kunnen kiezen en de liefdes-, levens-, of seksuele partner die hij of zij wil. Ik ben ervan overtuigd dat we dan een betere en rechtvaardiger wereld krijgen.’
Samuel: ‘Waarom moet overal altijd een label op? Welke letter van LGBTQI moet ik kiezen? Ik ben geen letter en Petra ook niet. Wat Petra en ik elkaar heel erg geven, en daarom hebben we ook niet snel discussies, is het complete zelfbeschikkingsrecht. Dat ligt onder onze vriendschap. Of ik hetzelfde vind, doe of geloof als Petra is niet relevant, want we laten elkaar in onze waarde. Dat zorgt voor instantveiligheid, waardoor we elkaar kunnen aanraken zonder dat we daar een ongemakkelijk gevoel bij krijgen. Ik heb nooit de gedachte: o, hier zit meer achter, wat gebeurt er?’

Drie jaar geleden, op Stienens 50ste verjaardag, begon Samuel over zijn fysieke transitie. Samuel vroeg haar: ‘Hou je ook nog van me als ik je broer ben?’ Stienen antwoordde: ‘Ik hou van je ziel.’
Samuel: ‘Het was de eerste keer dat ik het op een publieke plek tegen iemand zei. Je switchte meteen. Je noemde me vanaf dat moment ‘hij’.’
Stienen: ‘Het maakt mij wezenlijk niets uit. Of nee, dat is niet waar. Het maakt me wel uit, omdat ik zie dat je ondanks al je worstelingen nu echt gelukkig bent.’
Had je eerder niet aan Petra verteld dat je over een transitie nadacht?
Samuel: ‘Nee.’
Waarom niet? Ze lijkt me wel iemand met wie je dit kon bespreken.
Samuel: ‘Zeker. En met terugwerkende kracht zou ik het ook hebben gedaan. Maar ik had al een paar keer te horen gekregen: wat een onzin, je bent echt in de war. Toen heb ik besloten: ik keer naar mezelf en God terug. Ik ben de stilte ingegaan en dacht: ik treed pas weer naar buiten als ik mijn beslissing heb genomen.’
Je hebt gezegd dat je transitie spiritueel geïnspireerd was. Hoe bedoelde je dat?
Samuel: ‘Voor mij betekende mijn transitie: het volledig omarmen van mezelf. Daarin heb ik God in een ultiemere vorm gevonden. God is man noch vrouw. De eerste mens was man noch vrouw, Adam werd pas later gesplitst. Ik heb geen afscheid genomen van mijn vrouwelijke energie, ik heb altijd gezegd: mijn femininiteit is de kroon op mijn masculiniteit. Petra heeft nog steeds dezelfde vriend als eerst, maar dan in een geëvolueerde vorm. Ik ben dezelfde ziel, zoals Petra zegt. Petra is ook de enige vriendin die in haar affectie voor mij niet is veranderd.’
Alle anderen zijn dat wel?
Samuel: ‘Ja, ze kussen me minder, raken me minder aan. Het is voor al mijn vrienden wat ongemakkelijker.’
Stienen: ‘Ik vind het altijd fijn om met je te knuffelen.’
Samuel: ‘Jij bent een van de weinigen. Mensen vergeten soms dat ik nog steeds een mens ben die aangeraakt wil worden of graag een klopje op de schouder krijgt.’
Stienen: ‘Kom maar op hoor. Lekker.’
Jij weet nu wat testosteron met een lichaam doet, Mounir. Willen mannen wel knuffelen?
Samuel: ‘Het is een culturele misvatting dat mannen geen behoefte zouden hebben aan aanraking.’
Stienen: ‘Mannen horen van jongs af aan dat knuffelen niet moet. Het is sociaal bepaald.’
Samuel: ‘De Arabische cultuur laat dat zien. Daar lopen mannen hand in hand of met de pinken in elkaar. Ik kan daar zo vanzelfsprekend man zijn, er is nooit discussie over, ook niet bij hen die het weten.’
Mounir had het net over God. Dat is ook een van jullie gespreksonderwerpen?
Stienen: ‘Wat ik zo interessant vind aan Nederland: dat gedacht wordt dat als je van D66 bent, je ongelovig bent. Dat klopt helemaal niet. Voor mij kunnen geloven en vrije wil heel goed samengaan.’
Mounir heeft gezegd dat hij traditioneler is in het geloof dan jij.
Samuel: ‘Ik definieer mezelf iets meer als christen dan Petra – hoewel ik ook islamitisch recht studeerde en bid in de moskee.’
Stienen: ‘Dat klopt.’
Samuel: ‘Ik ben ook meer bijbelvast.’
Stienen: ‘Ja, dat denk ik ook. Maar ik geloof zeker in God, die voor mij een innerlijke stem is, een moreel kompas. God zit in alles, werd mij vroeger op de bijbelschool verteld, dat vond ik zo mooi. Maar God is ook dankbaarheid. Ik vind de 99 namen van God in de islam prachtig. De gever. De opener. De alziende. De subtiele. De vergevingsgezinde. De beschermer. De liefhebbende. God is niet in één woord te vangen.’
Laten we naar de liefde gaan, daar hebben jullie het ook best wel vaak over, heb ik begrepen.
‘Best wel vaak?’, roept Samuel uit. ‘Behoorlijk vaak. Laat ik het zo zeggen: als het om seks gaat, doe ik meer een boekje open dan Petra. Ik kan haar volgens mij hele grappige sekstips geven.’
Waarom ben jij daar zo goed in?
Samuel: ‘Ik ken alle facetten van het hele spectrum, met mannen en vrouwen en alles ertussenin. Plus: ik ben wel een beetje van de Verenigde Naties, ik beperk me op het gebied van seks niet tot één cultuur. Tegelijk ben ik ook in de liefde traditioneler dan zij.’
Je hebt me verteld dat je een klassieke romanticus bent. Je zei: ‘Ik ben een old school gentleman. Volgens Petra is er niet één ware en ik zou zweren bij de ware.’
Samuel: ‘Over Petra’s liefdesleven zwijg ik als de Zwitserse Bank.’
Stienen: ‘Er is een heel mooi gezegde: je ontmoet mensen for a reason, a season or a lifetime. Ik ben veel minder op zoek naar die ene for a lifetime. Ik ben getrouwd geweest met de vader van mijn dochter en ik ben nog steeds blij met die prachtige ziel in mijn leven. Maar ik zie soms dat mensen zichzelf zo vastzetten. Ik zeg altijd: heb nou niet de verwachting dat dit de ene ware is, begin nou gewoon bij het begin.’
Samuel: ‘Je waarschuwt mij daar ook voor.’
Stienen, lachend: ‘We geven elkaar vaak relatieadvies. Dan krijg ik weer een Mo-cast…’
Een wat?
Samuel: ‘Een Mo-cast, dat wordt echt een term tussen ons. Een whatsapp-voicememo die ik stuur. Het is een totaal gepersonaliseerde podcast en die is alleen voor Petra’s oren bestemd.’
Stienen: ‘Dan krijg ik twintig minuten te horen: dit is er gebeurd en dat is gebeurd… Het zijn gesproken brieven. En op die manier komen ook de liefdesperikelen aan de orde en dan stuur ik een bericht over mijn recente avonturen terug.’
Samuel, grinnikend: ‘Dat is Petra’s P-cast.’
Jullie leven allebei alleen?
Samuel: ‘We leven allebei alleen.’
Stienen: ‘Maar ik zeg altijd: ik heb veel liefde in mijn leven, mijn hart is vol.’
Samuel: ‘Mijn hart is ook vol. Mijn bed wat minder, maar daar werk ik nog aan.’
Bulderend gelach. Als het weer rustig is geworden, vervolgt Stienen: ‘Met Kerst was ik alleen in Marokko om te schrijven en ik voelde in mijn omgeving een combinatie van jaloezie, bewondering en gierend ongemak. Terwijl: ik vind de stilte heel fijn. Dat leer ik dan weer van Mounir: je mag best anders zijn.’
Wat bedoel je daarmee?
Stienen: ‘We denken in Nederland dat we heel progressief tegen relaties aankijken, maar het zegt genoeg hoe er over de premier wordt gepraat. Ik ben het niet vaak met Rutte eens, maar wel toen hij zei dat alleen zijn het laatste taboe is. Er zijn in Nederland drie miljoen mensen alleen, maar dat betekent niet dat ze eenzaam zijn. Dat in stellen denken, daar moeten we vanaf. Er zijn zoveel andere manieren om je leven in te vullen. We leven in de 21ste eeuw. En ik vind Mounir heel erg van de 21ste eeuw.’
Maar Mounir wil wel graag de ware vinden.
Samuel: ‘Het hele punt voor mij is: ik heb geen familie. Ja, ik héb familie, maar die zie ik nooit. Petra is meer familie dan wie ook. Ze zegt altijd: je kunt op me rekenen.’
Je hebt geen contact met je familie in Nederland en Egypte?
Samuel: ‘Met niemand.’
Gaat dat uit van jou of van hen?
Samuel: ‘Het is niet zo zwart-wit. Het is heel complex. Het gaat van allebei niet uit, maar het is wel de realiteit. Verder beweeg ik me in een wereld waarin ik iedere dag word aangesproken op één bepaalde identiteit en niet op een positieve manier.’
Je wordt sinds je transitie aangezien voor een Marokkaanse Nederlander.
Samuel: ‘Ja, dat gebeurt elke dag. In trams en treinen wordt gedacht dat ik niet ingecheckt ben. Ik word geschaduwd in winkels en in cafés krijg ik te horen: ‘Jouw soort mensen schenken we niet in.’ Ik mag de club niet in. De 16-jarige Mohammed vraagt om respect, maar heeft zelf niet eens door hoe diep de discriminatie soms gaat, omdat hij niet beter weet. Ik wel. En dan is er de islamofobie. Afgezien van mijn eindeloze zoektocht naar God buiten ieder religieus kader, is dit ook een van de redenen waarom ik geïnteresseerd ben in de islam: het is de meest bediscussieerde godsdienst ter wereld, die mij elke dag aangaat en onze samenleving diep vormt en verdeelt.’
Hoe zit het nu met die ware?
Samuel: ‘Ik heb niet zo zeer behoefte aan de ware, maar voor wáár aangenomen worden, voor wáár gezien worden, liefde, intimiteit, huiselijkheid.’
Stienen: ‘De ware is romantiek van Hollywood.’
Samuel: ‘Ja, precies.’
Stienen: ‘Wat jij zoekt is een metgezel. In het Arabisch heb je daar mooie woorden voor: rafiq, metgezel, nadim, drinkebroeder, sharik, partner, ashik, geliefde. Die zoeken we allemaal, maar soms kun je die niet in één persoon vinden. Veel mensen willen dat, maar vaak kan dat niet.’

Petra, jij hebt vroeger gebroken met je manisch-depressieve vader. Is dat óók waarom jullie zo goed dat familiegevoel bij elkaar kunnen vinden?
Stienen: ‘Sinds ik over mijn vader vertelde in het programma Het mooiste meisje van de klas krijg ik vaker vragen over hem. Maar dat is maar een deel van mijn verhaal. Mijn moeder, zus, broers, mijn dochter, neven en nichten zijn ook belangrijk voor me. En ja, ik heb óók mijn eigen familie gecreëerd in mijn vriendschappen. Ik heb genoeg dingen in het Midden-Oosten gezien waarvan ik dacht: dit is echt erg, dit klopt niet, maar de gemeenschapszin is iets waarvan we kunnen leren.’
Samuel: ‘Als ik zie hoe de Marokkaanse gemeenschap mij heeft opgenomen, met mijn totale eigenheid… Veel mensen snappen het niet, maar het is echt gebeurd. En niet door één of twee mensen, nee, door de volledige gemeenschap van imams en moskeeën tot vrouwenorganisaties en Imazigh-activisten. Ik ben écht opgenomen.’
Veel buitenstaanders hebben het beeld: dat doen Marokkanen niet met een transman.
Stienen: ‘Het beeld, het beeld… Daar gaan we weer. Er zijn zoveel van dat soort projecties op elkaar, maar zodra we echt het contact aangaan, gaan we voor elkaar zorgen. Dat verhaal vertellen we elkaar bijna nooit meer.’
Stienen citeert haar grote held, de Libanese schrijver Amin Maalouf, die hét grote vraagstuk van Europa beschreef als: how to manage diversity. De harde kritiek van minister Stef Blok op de multiculturele samenleving is dan nog niet eens bekend, en Stienen en Samuel voelen achteraf ook niet de behoefte er uitgebreid op te reageren. Hun verhaal spreekt voor zichzelf, vinden ze.
‘Hoe gaan we om met verschillen?’, herformuleert Stienen Maalouf. ‘Ik snap heel goed waarom ik het fijn vind om in de wereld van Mounir te zijn. Die is nogal anders dan de wereld waarin ik meestal zit, die van het witte, overwegend mannelijke, 50-plus politieke Den Haag, en die van de andere bevoorrechte Nederlanders.’
Samuel: ‘Mijn wereld valt echt niet te typeren aan de hand van één religie, kleur of gender.’
Stienen: ‘Ik reis graag met Mounir als een veerman tussen die twee oevers heen en weer. Dat doen we allebei ook in ons werk.’
Samuel: ‘Absoluut. Ik heb het in een groot essay voor De Groene eerder geschreven, vlak voor de discussie over identiteitspolitiek uitbrak: omarm de pluriforme identiteit. Ik heb geen eendimensionale identiteit en niemand heeft die. Wij moeten onszelf weer gaan zien als vader, dochter, neef, vriendin, buurtbewoner… Wat heeft een hipstermoeder met bakfiets met een Turks-Nederlandse islamitische slager gemeen? De buurt waarin ze wonen, de krant die ze lezen, dat ze misschien allebei van Andrea Bocelli houden, dat ze kinderen op dezelfde school hebben. Niemand kijkt meer zo.’
Hij zegt: ‘Ik vind dat onze vriendschap laat zien wat het doet als je meerdere identiteiten omarmt. Ik kan je twintig, dertig, veertig dingen noemen die ik met Petra gemeenschappelijk heb.’ Hij begint op te sommen… En Stienen knikt.

Wie wijst de weg als wegwijzers ontbreken ?

Petra Quaedvlieg schrijft in haar column in De Limburger (DL 25.01.18) dat zij drie redenen ziet waarom mensen die vroeger op sociaaldemocratische partijen stemden zijn afgehaakt.

  1. met name de PvdA heeft alleen de scherpste kantjes van het neoliberale beleid van Rutte 2 kunnen afvijlen en ze heeft zich medeverantwoordelijk gemaakt voor de verdere afbraak van sociale voorzieningen en de opkomst van een samenleving waarin steeds minder geld verdiend wordt door arbeid en steeds meer door vermogen.
  2. de sociaaldemocratie is er niet in geslaagd een brede visie op de toekomst te ontwikkelen met antwoorden op de vragen naar de bestaanszekerheid van mensen zonder vermogen, de invloed van robotisering, de omgang met migratiestromen, het milieu, big data en privacy.
  3. de sociaaldemocratische partijen zijn niet in staat een brug te slaan tussen degenen die sociaaleconomisch stilstaan of zelfs achterblijven en de bemiddelde, hogeropgeleide, progressieve en jonge idealistische burgers.

Het migratiebeleid en de bestaansonzekerheid drijven mensen uit elkaar. Dat leidt tot polarisatie tussen burgers die op zoek gaan naar een partij die strijd voor hun eigen zaak: voor ouderen, dieren, moslims, antimoslims.

Het gevoel dat regeringen de situatie niet meer onder controle hebben drijft de burgers naar populistische partijen en tot het omarmen van leiders die op Trump lijken.

Om dit te voorkomen moeten we met elkaar (sociaaldemocraten, relidemocraten,  liberaaldemocraten, volksdemocraten) in gesprek gaan over de genoemde partij-overstijgende thema’s. Maar hoe doen we dat ? Wie begint er ?

De zestienjarige Syrische Nederlander Mustafa Abed Alrhman zegt in dezelfde editie van De Limburger dat hij ervan overtuigd is dat we het op deze wereld toch echt samen zullen moeten doen en dat er ooit een moment komt dat de mensen hun ziel openen.

Als hij hiernaar gevraagd, zegt dat hij hierover nooit echt met vrienden praat , onthult hij hoe moeilijk het is om de moed te verzamelen om echt met elkaar in gesprek te gaan. Zullen we maar met onze vrienden beginnen ?

Zo wil je graag jarig zijn

26231756_2022343671109926_7483724142575738536_n
Dankjewel voor alle felicitaties die jullie mij bij gelegenheid van mijn verjaardag in alle toonaarden hebben doen toekomen. Mijn verjaardag werd deze keer feestelijk omhuld door het uitroepen van mijn kleindochter Sabine tot prinses van JCV den Törk uit Vilt. Samen met haar klasgenoot prins Alexander I voert zij dit carnavalsjaar het vastelaovendsgebeuren in de heerlijkheid Vilt aan.